Regelmatig verschijnen er berichten over box 3. Over de bestaande en toekomstige wetgeving betreffende Box 3. Rendementspercentages, nieuw toelichtingen opgave werkelijk rendement, nieuwe standpunten over Box 3 in 2028. En veel nieuwe meningen van diverse instanties. Voor velen is het best lastig om alles nog bij te houden, laat staan de waarheden en onwaarheden te onderscheiden. Daarom even een aantal punten om een beetje helderheid te verschaffen.
Definitieve rendementspercentages 2025 wettelijke regeling
De huidige wettelijke regeling box 3 is gebaseerd op forfaitaire De wettelijke systematiek in 2025 blijft gebaseerd op drie categorieën met jaarlijks vast te stellen forfaitaire rendementen. Voor 2025 zijn de definitieve percentages nu als volgt:
- Banktegoeden: 1,37%.
- Overige bezittingen: 5,88%.
- Schulden: 2,70%.
Voorlopige aanslagen 2025 zijn gebaseerd op voorlopige percentages (bijvoorbeeld 1,44% voor banktegoeden en 2,62% voor schulden), die bij de definitieve aanslag automatisch worden vervangen door de definitieve percentages. De Belastingdienst past bij de definitieve aanslag de meest gunstige methode toe (forfaitair of werkelijk rendement), binnen de huidige wettelijke kaders.
Brieven over opgave werkelijk rendement 2021–2024
De Belastingdienst stuurt momenteel brieven aan box 3‑plichtigen over de mogelijkheid om het werkelijk rendement over 2021–2024 op te geven. Parallel daaraan loopt de afwikkeling van het rechtsherstel voor de jaren 2017–2020 naar aanleiding van de massaal‑bezwaarprocedures.
- Rechtsherstel 2017–2019 wordt fasegewijs afgewikkeld voor bezwaarmakers, 2020 is nu in behandeling.
- Voor 2021, 2022 en 2023 komt een grotendeels geautomatiseerde, massale verwerking van de formulieren “Opgave Werkelijk Rendement”.
- In de adviespraktijk is het zaak cliënten tijdig te wijzen op termijnen en de bewijspositie rond werkelijk rendement.
Verdeling box 3‑inkomen tussen partners na rechtsherstel
De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat fiscale partners na vaststelling van de definitieve aanslagen in het kader van massaal bezwaar hun verdeling van het box 3‑inkomen in bepaalde gevallen mogen herzien. Dit biedt ruimte om na het rechtsherstel alsnog te optimaliseren tussen partners.
Belangrijk voor de praktijk:
- Een hernieuwde keuze voor de onderlinge toerekening is toegestaan na de definitieve uitspraak in het massaal bezwaar‑traject.
- Die gewijzigde keuze moet binnen zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag worden gemaakt.
- Vastlegging in een gezamenlijk, duidelijk verzoek aan de Belastingdienst verdient de voorkeur.
Werkelijk rendement bij verpachte landbouwgronden (IB 2025)
Voor verpachte landbouwgronden in box 3 publiceert de Belastingdienst jaarlijks een handleiding met normwaarden. Voor 2025 is in maart 2026 een belangrijke uitbreiding doorgevoerd: er zijn nu normwaarden opgenomen per 1 januari én per 31 december 2025.
- De extra tabel met waarden per 31 december 2025 maakt het mogelijk om het indirecte rendement (waardeverandering) voor werkelijk rendement te berekenen.
- Samen met het directe rendement (pachtopbrengst) kan zo het totale werkelijke rendement 2025 voor verpachte grond worden bepaald.
- De hoofdregel blijft echter waardering op waarde in het economische verkeer; normtabellen zijn hulpmiddelen, geen vervanging van de wettelijke hoofdregel.
Wet box 3 2028: tussenstap naar vermogenswinst
Vanaf 2028 komt er volgens de huidige plannen een box 3‑stelsel gebaseerd op werkelijk rendement, in de vorm van een vermogensaanwasbelasting. Het kabinet en het coalitieakkoord sturen er echter op aan om dit stelsel door te ontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek, zodat de aanwasvariant vermoedelijk een tijdelijk karakter heeft.
Kernpunten voor 2028 (zoals het nu voorgesteld is):
- Jaarlijkse heffing over reguliere inkomsten (rente, dividend, huur) én over niet‑gerealiseerde waardestijgingen (vermogensaanwas).
- Lagere vrijstelling en een tarief rond 36% worden genoemd in recente analyses; verliezen worden verrekenbaar met toekomstige positieve resultaten.
- Vermogenswinstbelasting (heffing bij realisatie) wordt als vervolgstap na 2028/2029 voorzien, maar is politiek en technisch nog niet uitgewerkt.
- De Eerste Kamer heeft zeer veel vragen gesteld; het uiteindelijke wetsvoorstel kan dus nog wijzigen.
Voor cliënten is relevant dat het huidige forfaitaire systeem voorlopig nog geldt tot en met 2027, maar dat beleggingsbeslissingen vanaf nu vaak al worden genomen met de overgang naar vermogensaanwas in het achterhoofd.
Step‑up per 1 januari 2028 en waardering onroerend goed
In het nieuwe stelsel is per 1 januari 2028 een aanvangswaarde (step‑up) nodig voor box 3‑vermogen. Die waarde vormt het startpunt voor toekomstige berekening van vermogensaanwas of vermogenswinst.
Belangrijk onderscheid:
- Voor woningen in box 3 wordt aangesloten bij de WOZ‑waarde van het kalenderjaar 2029, met waardepeildatum 1 januari 2028; die vormt de step‑up‑waarde.
- Voor niet‑woningen (zoals bedrijfs- of beleggingspanden) geldt waardering op waarde in het economische verkeer; de WOZ‑waarde is daar niet automatisch leidend.
- In de praktijk zal voor veel niet‑woningen een taxatierapport nodig zijn om de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028 te onderbouwen.
Voor aandelen in startende ondernemingen wordt eveneens een step‑up naar de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028 voorzien, al is nadere uitwerking nog gaan
Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.