Vanaf 2028 geldt een nieuw stelsel met heffing over werkelijk rendement in box 3, voor spaarders, beleggers en DGA’s met vermogen boven €1.800 heffingsvrij inkomen per persoon (tarief 36%). Tot en met 2027 blijft het forfaitaire systeem met keuze voor werkelijk rendement. Dit volgt uit de Wet werkelijk rendement box 3, aangenomen door de Tweede Kamer op 12 februari 2026 en nu bij de Eerste Kamer.
Discussies en commotie
Box 3 blijft controversieel door de overstap naar vermogensaanwasbelasting, inclusief waardestijgingen op beleggingen. Veel belastingplichtigen maken zich zorgen over hogere administratie en belasting op ongerealiseerde winsten. Staatssecretaris kondigde op 6 maart 2026 aanpassingen aan bij de Eerste Kamer.
Box 3 tot en met 2027
Huidige Wet IB 2001 geldt met forfaitair rendement per 1 januari.
- Banktegoeden en overige bezittingen: aparte forfaitaire percentages.
- Schulden: eigen forfaitair rendement.
Belastingplichtigen kiezen vrij voor werkelijk rendement over alle bezittingen en schulden.
Box 3 vanaf 2028
Heffing over werkelijk rendement inclusief vermogensaanwas (positief/negatief).
- Tarief: 36% over rendement boven €1.800 vrijstelling per persoon.
- Vastgoed: uitsluitend vermogenswinst bij verkoop; huur belast direct.
- Verliezen verrekenbaar met toekomstige positieve rendementen (carry-forward).
Stand van zaken wetsvoorstel
Tweede Kamer akkoord op 12 februari 2026; Eerste Kamer behandelt sinds maart 2026, overleg op 17 maart.
Geen grote aanpassingen verwacht, behalve mogelijke doorontwikkeling vermogensaanwas.
Eerste Kamer kan afwijzen, maar kabinetsdoel blijft invoering 1 januari 2028.
Aanpassingen wetsvoorstel
Staatssecretaris kondigde 6 maart 2026 aanpassingen aan wegens zorgen vermogensaanwas. Vanaf 2029 mogelijk verliesverrekening met vorig jaar positief inkomen. Huidig voorstel blijft behouden tenzij Eerste Kamer afwijst.
Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.