voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Wat is goed koopmansgebruik en hoe werkt de waardering van effecten?

Goed koopmansgebruik is het wettelijke uitgangspunt voor de fiscale winstbepaling, vastgelegd in artikel 3.25 Wet IB 2001 en via artikel 8 Wet Vpb 1969 ook van toepassing voor de vennootschapsbelasting. De jaarwinst moet worden bepaald volgens een stelsel dat aansluit bij bedrijfseconomische inzichten, tenzij die in strijd komen met de belastingwetgeving. Voor effecten betekent dit dat het stelsel “kostprijs of lagere marktwaarde” geldt: afwaarderen bij een koersdaling mag, maar een ongerealiseerde koerswinst hoeft niet tot de winst te worden gerekend. Voor VBI-aandelen en vergelijkbare buitenlandse beleggingsinstellingen geldt een uitzondering: die worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer.

Wat is goed koopmansgebruik in de Wet Inkomstenbelasting?

Het begrip goed koopmansgebruik is expliciet opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001. De belangrijkste wettelijke bepaling is te vinden in artikel 3.25 Wet IB 2001: “De jaarwinst moet worden bepaald volgens een stelsel van winstberekening dat in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. In het kort gezegd is dat een stelsel dat is gegrond op bedrijfseconomische inzichten, tenzij die inzichten in strijd komen met de belastingwetgeving. Een onjuist stelsel van winstberekening moet worden vervangen door een juist stelsel, ook al heeft de inspecteur in voorgaande jaren het onjuiste stelsel geaccepteerd.”

Geldt dit ook voor de vennootschapsbelasting?

Ja. Dit is omdat in artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 expliciet wordt aangegeven dat artikel 3.25 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 ook van toepassing is voor de vennootschapsbelasting.

Hoe moet ik de toepassing van goed koopmansgebruik uitleggen?

Goed koopmansgebruik vormt het uitgangspunt voor de fiscale winstbepaling. Dit betekent dat de winstbepaling moet aansluiten bij wat in het economische verkeer als zorgvuldig en verantwoord wordt beschouwd door een goed koopman. In de praktijk houdt dit in dat de jaarwinst wordt bepaald volgens een stelsel dat aansluit bij bedrijfseconomische inzichten, tenzij deze in strijd zijn met de fiscale wetgeving. Een eenmaal gekozen stelsel moet bestendig worden toegepast, maar mag worden gewijzigd als goed koopmansgebruik dat rechtvaardigt.

Welke beginselen kent goed koopmansgebruik?

Goed koopmansgebruik omvat verschillende beginselen, zoals het realiteitsbeginsel, realisatiebeginsel, matchingbeginsel, eenvoudsbeginsel en voorzichtigheidsbeginsel. Als een gekozen stelsel niet (meer) in overeenstemming is met goed koopmansgebruik, moet het worden vervangen, ook als de Belastingdienst het eerder heeft geaccepteerd.

Wat houdt het realiteitsbeginsel in?

Uitgaan van de werkelijke baten en lasten; hieruit vloeit het veroorzakings- en matchingbeginsel voort (opbrengsten en kosten toerekenen aan het jaar waarop ze betrekking hebben).

Wat houdt het eenvoudsbeginsel in?

De wijze van winstberekening moet praktisch uitvoerbaar zijn, ook voor de kleinere ondernemer.

Wat houdt het voorzichtigheidsbeginsel in?

Je mag rekening houden met onzekerheid: winsten pas nemen als ze redelijkerwijs vaststaan, verliezen al nemen als ze waarschijnlijk zijn.

Hoe werkt goed koopmansgebruik bij de waardering van effecten?

Net als bij voorraden geldt voor effecten het stelsel “kostprijs of lagere marktwaarde”. Je waardeert dus op de aanschaffingskosten, tenzij de waarde in het economische verkeer daaronder is gedaald.

Voorzichtigheidsbeginsel: afwaardering mag. Is de beurskoers op balansdatum lager dan de kostprijs, dan mag je afwaarderen, ook als het (nog) om een niet per se duurzame waardedaling gaat, omdat verliezen al genomen mogen worden zodra ze waarschijnlijk zijn.

Volgens de toepassing van het realisatiebeginsel is de koerswinst boven de kostprijs onbelast. Is de koers gestegen boven de kostprijs, dan hoef je dat ongerealiseerde voordeel niet tot de winst te rekenen. De winst wordt in beginsel pas belast bij verkoop (realisatie). Dit creëert de bekende asymmetrie: verliezen mag je vooruitnemen, winsten niet.

Opwaarderingsplicht na eerdere afwaardering: heb je in een eerder jaar afgewaardeerd naar een lagere waarde, en stijgt die waarde in een volgend jaar weer, dan verplicht goed koopmansgebruik je om weer op te waarderen, tot maximaal de oorspronkelijke kostprijs, niet daarboven. Dit voorkomt dat je de asymmetrie oneindig zou kunnen “vasthouden”.

Geldt dit ook voor aandelen in beleggingsfondsen?

Aandelen in een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Dit is vanwege de expliciete bepaling in artikel 3.29a Wet IB 2001. Via artikel 8, eerste lid, Wet Vpb 1969 is deze bepaling ook van toepassing voor de vennootschapsbelasting. Hetzelfde geldt voor aandelen in een buitenlandse beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten die belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 6a, lid 4, Wet Vpb 1969, die niet is onderworpen aan een belastingheffing naar winst en niet verplicht is om jaarlijks de winst aan de aandeelhouders ter beschikking te stellen.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.