voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Wat is de ODV en kan ik dit omzetten naar een lijfrente?

Een oudedagsverplichting (ODV) in de BV is een fiscaal gefacilieerde oudedagsreserve die is ontstaan bij de uitfasering van pensioen in eigen beheer voor de DGA. De ODV moet in beginsel in 20 jaar (eventueel langer bij vervroegde ingang) als periodieke uitkering aan de (gewezen) DGA worden uitgekeerd en wordt jaarlijks fiscaal opgerent met de voorgeschreven marktrente. Tijdens de uitkeringsfase worden de termijnen bij de DGA belast als loon uit vroegere dienstbetrekking, onder inhouding van loonbelasting en lage Zvw-premie. Afkoop van de ODV is niet toegestaan; bij afkoop of onjuiste aanwending is de gehele aanspraak ineens belast en is daarnaast 20% revisierente verschuldigd, die in feite als fiscale boete werkt.

Dit artikel ziet op de wetgeving en beleidsbesluiten zoals bekend per 1 maart 2026.

Wat is een ODV in de BV?

De ODV is de verplichting van de BV aan de (gewezen) DGA die is ontstaan doordat het pensioen in eigen beheer is omgezet in een oudedagsverplichting. De aanspraak heeft het karakter van een reeks toekomstige uitkeringen, die jaarlijks fiscaal worden opgehoogd met een wettelijk voorgeschreven marktrente. De uitkeringen uit de ODV kwalificeren als loon uit vroegere dienstbetrekking en vallen onder de loonheffingsregels. De BV is inhoudingsplichtig voor loonbelasting/premie volksverzekeringen en de lage premies Zvw over de termijnen.

Hoe verlopen de reguliere ODV-uitkeringen?

De ODV moet in beginsel in 20 jaar worden uitgekeerd, waarbij de eerste termijn uiterlijk binnen twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd moet ingaan. Begint de uitkering maximaal vijf jaar vóór het jaar waarin de DGA de AOW-leeftijd bereikt, dan wordt de standaardperiode van 20 jaar verlengd met het aantal jaren dat de uitkering eerder start (maximaal vijf jaar). Start de ODV pas na de AOW-leeftijd, dan kan sprake zijn van een verkorte uitkeringsperiode, doordat de 20 jaar wordt verminderd met de verstreken jaren na de AOW-leeftijd. De ODV-uitkeringen zijn belast met loonheffing en de lage Zvw-premie en worden jaarlijks opnieuw bepaald op basis van het resterende ODV-saldo en het aantal resterende termijnen.

Afkoop van de ODV is verboden: bij afkoop of onzuivere aanwending wordt de volledige waarde van de ODV ineens progressief belast en is 20% revisierente verschuldigd. De revisierente is niet aftrekbaar, zodat deze heffing economisch de functie heeft van een sanctie.​

Wanneer mag de ODV worden omgezet in een lijfrente?

De hoofdregel is dat de ODV kan worden aangewend voor een lijfrente (verzekering, rekening of beleggingsrecht) binnen het lijfrentekader van de Wet IB 2001, waarbij in de wet en in beleidsbesluiten nadere voorwaarden gelden. Op grond van artikel 38p Wet LB 1964 is omzetting naar een lijfrente in de opbouwfase mogelijk, en onder aanvullende voorwaarden ook in de uitkeringsfase. In de uitkeringsfase geldt in principe dat een ODV niet meer mag worden omgezet in een lijfrente; hiervoor is in een beleidsbesluit een goedkeuring verleend die onder strikte voorwaarden toch omzetting toestaat.

De Staatssecretaris heeft in eerdere besluiten (met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2017) goedgekeurd dat de leeftijdsgrens voor het aangaan van een lijfrente (uiterlijk in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd) voor ODV-omzettingen kan worden verruimd. Deze goedkeuring houdt in dat een aanspraak ingevolge een ODV onder voorwaarden ook na de reguliere uiterste ingangsdatum kan worden aangewend voor een lijfrente, zonder dat sprake is van afkoop.

Hoe werkt omzetting van een reeds ingegane ODV in een lijfrente?

Indien de ODV-uitkeringen al zijn ingegaan, kan de ODV onder voorwaarden alsnog geheel worden omgezet in een lijfrenteproduct. De goedkeuring uit het verzamelbesluit pensioenen van 27 juni 2023 werkt dit uit en sluit aan bij artikel 3.126a Wet IB 2001 (lijfrenten). Belangrijke punten zijn:

  • De volledige resterende ODV moet worden aangewend voor de lijfrente; gedeeltelijke omzetting in de uitkeringsfase is in beginsel niet toegestaan.
  • De lijfrente moet een fiscaal gefacilieerde lijfrente zijn (levenslang of tijdelijke oudedagslijfrente).
  • De lijfrentetermijnen moeten direct ingaan na omzetting.
  • De minimale uitkeringsduur van 20 jaar mag worden verminderd met de periode die is verstreken tussen het bereiken van de AOW-leeftijd en de eerste lijfrentetermijn.

Hierdoor kan de resterende ODV worden geherstructureerd in kortere lijfrentetermijnen dan de oorspronkelijke ODV-uitkeringsduur, mits de combinatie van verstreken periode en toekomstige lijfrentelooptijd voldoet aan de minimumduur. De lijfrente-uitkeringen zijn dan aftrekbare uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 bij de opbouw (premies) en belast als periodieke uitkering bij ontvangst, maar in het ODV-omzettingskader vindt feitelijk alleen een verschuiving van ODV naar lijfrente plaats zonder aanvullende aftrek. De loonheffingssfeer verschuift dan naar de inkomstenbelastingsfeer als periodieke uitkering uit lijfrente, onder inhouding door de verzekeraar of bank.

Hoe zit het met het maximum van circa € 27.000 per jaar en de keuze levenslang of tijdelijk?

Bij omzetting in een lijfrente moet worden gekozen tussen een levenslange oudedagslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Voor de tijdelijke oudedagslijfrente geldt een wettelijk maximum per jaar (rond € 27.000 per jaar; het exacte bedrag is jaarlijks geïndexeerd, in recente jaren circa € 26.781–€ 27.192). Dit maximum is alleen relevant als een tijdelijke oudedagslijfrente met een kortere looptijd dan 20 jaar wordt gekozen.

Wordt een hogere jaaruitkering bereikt dan het wettelijke maximum, dan moet de looptijd worden verlengd zodat de jaarlijkse lijfrentetermijnen onder het maximum blijven. Wordt daarentegen gekozen voor een uitkeringsduur van minimaal 20 jaar, dan geldt het jaarmaximum niet, zodat de resterende ODV in kortere termijnen kan worden omgezet zolang de totale duur (verstreken periode plus lijfrentelooptijd) minimaal 20 jaar bedraagt. Bij de fiscale beoordeling is daarom cruciaal:

  • Sinds wanneer de ODV al uitkeert (verstreken jaren t.o.v. AOW-leeftijd).
  • Of wordt gekozen voor een levenslange of tijdelijke lijfrente.
  • Hoe hoog de gewenste jaarlijkse lijfrente-uitkering is in verhouding tot het wettelijke maximum.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.