voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Wanneer moet je een kleine investering activeren en wanneer mag je deze direct als kosten boeken?

Bij kleine investeringen is het niet altijd duidelijk of de kosten in één keer ten laste van de winst mogen worden gebracht, of dat activering verplicht of fiscaal voordeliger is. Dit speelt vooral een rol in combinatie met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Hieronder de belangrijkste aandachtspunten.

Kosten van kleine investeringen

De kern is dat kleine investeringen soms beter direct als kosten kunnen worden geboekt, maar dat activering nodig kan zijn om optimaal te profiteren van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA).

Kleine investeringen en KIA

In de praktijk worden kosten voor kleine investeringen vaak ineens ten laste van de winst gebracht, omdat dit eenvoudig is en direct een liquiditeitsvoordeel oplevert: de belastingbesparing valt in één jaar in plaats van gespreid over meerdere jaren. Het nadeel is dat bij directe kostenboeking geen recht bestaat op KIA voor dat bedrijfsmiddel, terwijl dit voordeel in veel grotere mate kan zijn dan het voordeel van het ineens ten laste van de winst brengen van de kosten, zeker bij ondernemingen met relatief kleine totale investeringen.

Wanneer activeren en wanneer niet?

Voor de KIA kwalificeren bedrijfsmiddelen met een aanschafprijs van € 450 of minder per stuk sowieso niet als investering; deze uitgaven worden fiscaal als directe kosten gezien en kunnen daarom het beste ineens ten laste van de winst worden gebracht. Aan de bovenkant levert een totale jaarinvestering boven € 398.236 in 2026 geen KIA meer op, zodat activering bij dergelijke hoge investeringsniveaus fiscaal minder aantrekkelijk is, omdat de KIA dan toch niet wordt genoten.

Aanschaffingen van geringe waarde

Artikel 3.30, lid 4, Wet IB 2001 bepaalt dat de feitelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde, die doorgaans tot de gewone bedrijfskosten worden gerekend, verplicht ineens mogen worden afgeschreven. In de praktijk is het niet altijd direct duidelijk of een concreet bedrijfsmiddel onder deze categorie valt; in twijfelgevallen kan het gunstig zijn om te kiezen voor activering, mits de totale jaarinvestering in bedrijfsmiddelen binnen de bandbreedte ligt waarbij de KIA nog voordeel oplevert (in 2026 grofweg tussen € 2.901 en € 398.236).

Grensgevallen in de praktijk

Voorbeelden van bedrijfsmiddelen die zich in het “grensgebied” kunnen bevinden zijn meubilair, inrichtingszaken (zoals luxaflex), lichtreclame of een reclamebord bij een sportvereniging, koffiemachines, (af)wasmachines, palletwagens, schilderijen, printers en scanners, telefooncentrales, hulpmiddelen en apparatuur, en kosten voor het ontwikkelen van een website. Bij dergelijke posten is steeds de vraag of het naar hun aard voorwerpen van geringe waarde zijn die tot de gewone bedrijfskosten worden gerekend, of dat het investeringen betreft waarbij activering en toepassing van de KIA fiscaal voordeliger kan zijn, gezien het totale investeringsniveau.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.