voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Wanneer is een juridische splitsing in de Vpb nog geruisloos bij verkoop binnen drie jaar?

Een juridische (af)splitsing onder artikel 14a Wet Vpb 1969 kan nog steeds geruisloos plaatsvinden, óók als binnen drie jaar na de splitsing aandelen aan een derde worden verkocht. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat het enkele feit van zo’n vervreemding binnen drie jaar niet automatisch betekent dat de splitsing in overwegende mate fiscaal gedreven is. De inspecteur mag dus niet zonder meer uitgaan van afwezigheid van zakelijke overwegingen, maar moet concreet stellen en (voldoende) onderbouwen waarom volgens hem sprake is van misbruik. Dit sluit aan bij artikel 15 van de Fusierichtlijn, dat een antimisbruikclausule toestaat, maar ook grenzen stelt aan de bewijslastverdeling.

Het artikel ziet op de Wet Vpb 1969 en de stand van wetgeving en jurisprudentie per 27 februari 2026.

Wat regelt artikel 14a Wet Vpb 1969 precies?

Artikel 14a Wet Vpb 1969 biedt een doorschuifregeling voor juridische splitsingen, waaronder afsplitsingen, zodat stille reserves en goodwill niet direct worden belast. De afsplitsende rechtspersoon wordt fiscaal geacht zijn vermogensbestanddelen te hebben vervreemd aan de verkrijgende rechtspersoon, maar de daardoor behaalde winst blijft buiten aanmerking als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De regeling geldt in eenvoudige gevallen rechtstreeks op grond van het tweede lid en in complexere situaties via een beschikking van de inspecteur op basis van het derde lid. Kernvoorwaarde is dat de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van vennootschapsbelasting.

Wat is de antimisbruikvoorwaarde van artikel 14a, lid 6?

Artikel 14a, lid 6, bepaalt dat de faciliteit niet geldt als de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De wet introduceert een (weerlegbaar) vermoeden van misbruik als de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden. Zakelijke motieven kunnen onder meer zijn: het splitsen van verschillende activiteiten, het scheiden van risicovolle en minder risicovolle ondernemingsonderdelen of het structureren van activiteiten naar verschillende aandeelhouders. In lijn met de Fusierichtlijn moet de antimisbruikbepaling worden toegepast met respect voor de vrijheid van vestiging en het Unierechtelijke misbruikbegrip.

Hoe werkte het wettelijke driejaarbewijsvermoeden bij verkoop?

In de Nederlandse praktijk werd vaak aangenomen dat bij verkoop van aandelen in de gesplitste of verkrijgende rechtspersoon aan een derde binnen drie jaar automatisch geen zakelijke overwegingen voor de splitsing aanwezig waren. Artikel 14a, lid 6, bevatte een aanvullend vermoeden: bij zo’n vervreemding werd de splitsing geacht in overwegende mate fiscaal gedreven te zijn, tenzij het tegendeel werd aangetoond door de belastingplichtige. De Belastingdienst paste dit streng toe: verkoop binnen drie jaar betekende in de regel dat de faciliteit werd geweigerd, tenzij de belastingplichtige overtuigend zakelijke motieven aannemelijk maakte.

Voor de praktijk zag het er (vereenvoudigd) zo uit:

SituatieGevolg volgens wet/praktijk (voor HR 27‑2‑2026)
Geen vervreemding binnen 3 jaarZakelijke motieven beoordeeld op feiten; geen extra vermoeden.
Vervreemding binnen 3 jaar aan derdeWettelijk vermoeden: geen zakelijke motieven, faciliteit wordt geweigerd tenzij belastingplichtige tegendeel bewijst.

Wat zegt de Hoge Raad nu over verkoop binnen drie jaar?

De Hoge Raad heeft op 27 februari 2026 geoordeeld dat het algemene bewijsvermoeden in de splitsingsfaciliteit – voor zover dit inhoudt dat bij vervreemding binnen drie jaar automatisch wordt aangenomen dat geen zakelijke overwegingen aanwezig zijn – in strijd is met de EU-Fusierichtlijn. Volgens de Hoge Raad rechtvaardigt het enkele feit dat binnen drie jaar na de splitsing aandelen worden vervreemd aan een derde niet de conclusie dat de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Dit geldt zelfs als reeds ten tijde van de besluitvorming over de splitsing een verkoopvoornemen bestond; dat voornemen op zichzelf maakt de splitsing nog niet misbruikelijk. Daarmee wordt de nationale antimisbruikbepaling beperkt door het Unierechtelijke misbruikconcept uit artikel 15 Fusierichtlijn.

Hoe verhoudt dit zich tot artikel 15 Fusierichtlijn?

Artikel 15 Fusierichtlijn biedt lidstaten de mogelijkheid de faciliteiten te weigeren bij transacties met als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking. Deze bepaling veronderstelt een concrete misbruiktoets, gebaseerd op objectieve en verifieerbare feiten, en laat geen ruimte voor een onvoorwaardelijk, algemeen bewijsvermoeden dat enkel op de tijdspanne van drie jaar is gebaseerd. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat de inspecteur feiten en omstandigheden moet aandragen die misbruik ondersteunen; pas daarna kan de belastingplichtige worden verlangd die stellingen gemotiveerd te weerleggen. De nationale regeling voor zuiver binnenlandse reorganisaties moet worden uitgelegd conform deze Unierechtelijke misbruiknorm, omdat de Nederlandse wetgever grensoverschrijdende en binnenlandse reorganisaties gelijk wilde behandelen.

Welke bewijslast heeft de inspecteur nu?

Na het arrest kan de inspecteur niet meer volstaan met de mededeling dat binnen drie jaar na de splitsing een vervreemding aan een derde heeft plaatsgevonden. Hij zal concreet moeten aangeven waarom de splitsing volgens hem in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, bijvoorbeeld door te wijzen op het ontbreken van duurzame reorganisatievoordelen of op kunstmatige, economisch onverklaarbare stappen. Pas als de inspecteur die stelplicht vervult en enige onderbouwing geeft, komt de vraag aan de orde of de belastingplichtige dit kan weerleggen met zakelijke motieven. Het driejaarstijdvak kan nog steeds als relevante omstandigheid meewegen, maar is niet langer beslissend of doorslaggevend.

Wat betekent dit voor de praktijk van juridische (af)splitsing en verkoop?

Voor de praktijk betekent dit dat een juridische (af)splitsing gevolgd door een geplande verkoop binnen drie jaar niet automatisch de geruisloze faciliteit blokkeert. Wel blijft het essentieel om zakelijke motieven voor de splitsing – zoals risicoscheiding, structurering naar activiteiten of aandeelhouders, of operationele herinrichting – vooraf te formuleren, vast te leggen en te onderbouwen. In verkoopcases zal de inspecteur kritisch blijven, maar moet hij nu meer inhoudelijk toetsen en kan hij niet meer uitsluitend op het driejaarcriterium leunen. Het arrest werkt bovendien door naar de bedrijfsfusiefaciliteit en de (oude) splitsingsfaciliteit voor de overdrachtsbelasting, voor zover die vergelijkbare bewijsvermoedens kenden.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.