Vorderingen en schulden in box 3 worden normaliter gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer, waarbij vaak de nominale waarde wordt aangehouden. De Belastingdienst keurt goed dat hiervoor wordt uitgegaan van de nominale waarde, mits sprake is van zakelijke condities en deze keuze consequent wordt toegepast. Wanneer echter een vaste rente is overeengekomen die tijdens de looptijd gaat afwijken van de marktrente, moet in plaats daarvan worden uitgegaan van de contante waarde van de vordering of schuld.
Wat is het uitgangspunt bij de waardering van vorderingen en schulden in box 3?
De Belastingdienst keurt goed dat voor box 3 bij vorderingen en schulden wordt uitgegaan van de nominale waarde, mits sprake is van zakelijke condities en je deze keuze consequent toepast. Deze goedkeuring geldt tot inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 (voorzien per 1 januari 2028); daarna zal de feitelijke economische waarde een grotere rol krijgen. Toch er kunnen omstandigheden zijn waardoor deze nominale waarde bij de opname in box 3 moet worden aangepast.
Wanneer kan een lagere (of hogere) waardering aan de orde zijn?
Bij vaste rente en een inmiddels gestegen marktrente is de contante waarde van een vordering lager dan de nominale waarde; economisch is de vordering dan minder waard en kan in beginsel een lagere waardering worden bepleit. Bij schulden met vaste rente en een gedaalde marktrente is juist de schuld economisch meer waard (voor de schuldenaar nadelig); spiegelbeeldig kan dit ertoe leiden dat vorderingen van de crediteur hoger of lager moeten worden gewaardeerd, afhankelijk van de rentestand. Niet-zakelijke condities, zoals een zeer lage of geen rente, een zeer lange looptijd, achterstelling of bijzondere contractuele beperkingen, kunnen ertoe leiden dat de economische waarde van de vordering significant onder de nominale waarde ligt.
Welke casus is aan de Kennisgroep voorgelegd?
De volgende casus is voorgelegd aan de Kennisgroep: hoe moeten de vordering en schuld worden gewaardeerd?
“In het verleden heeft belastingplichtige A onder strikt zakelijke voorwaarden € 300.000 geleend van belastingplichtige B ter financiering van een tweede woning. Hierbij zijn zij overeengekomen dat de lening 20 jaar aflossingsvrij is. Belastingplichtige A heeft dus een schuld en belastingplichtige B heeft een vordering. Zij zijn een rentepercentage overeengekomen van 4,5% en dit rentepercentage staat voor 20 jaar vast. De lening mag niet eerder boetevrij worden afgelost. Voor zowel belastingplichtige A als B valt de schuld respectievelijk de vordering in box 3. In enig jaar wijkt de marktrente van een lening met vergelijkbare voorwaarden (zoals overeenkomstige looptijd, zekerheden, debiteurenrisico, aflossingsschema, etc.) af van de contractueel overeengekomen vaste rente op de lening. Zowel A als B dienen de waarde van hun schuld respectievelijk vordering op peildatum aan te geven in box 3.”
Benieuwd hoe een tweede woning in box 3 wordt belast? Lees meer over de fiscale behandeling van vastgoed in box 3.
Wat antwoordde de Kennisgroep?
Een vordering en schuld dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een schuld is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de schuld. Wanneer echter (zoals in de casus) een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de schuld geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de schuld.
Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.