voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Hoe worden optierechten belast in box 3?

Een optie is een bezitting in de zin van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, Wet IB 2001 en wordt, net als andere effecten, gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (art. 5.19 Wet IB 2001), voor beursgenoteerde opties de slotnotering van de laatste beursdag van het voorafgaande kalenderjaar. Bij putopties of geschreven opties vindt geen saldering plaats met onderliggende aandelen, omdat er geen sprake is van een eenheid van bezittingen en schulden. Omdat opties zelf geen regulier voordeel (zoals rente of dividend) opleveren, is voor de tegenbewijsregeling vooral de vermogensaanwas relevant.

Welke soorten opties zijn er?

Opties zijn grofweg in te delen in twee categorieën. De eerste categorie zijn zogenoemde callopties. Callopties geven het recht om de onderliggende waarde (zoals effecten) voor een vooraf bepaalde prijs te kopen. De tweede categorie zijn zogenoemde putopties. Putopties geven het recht om de onderliggende waarde voor een vooraf bepaalde prijs te verkopen.

Hoe worden opties gewaardeerd in box 3?

De grondslag sparen en beleggen is op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) gebaseerd op de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum). De rendementsgrondslag is volgens artikel 5.3, eerste lid, Wet IB 2001 de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Een optie is een bezitting als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, Wet IB 2001, te weten een recht dat niet op een zaak betrekking heeft.

Effecten worden op grond van artikel 5.19, eerste lid, Wet IB 2001 gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Op grond van artikel 5.21 Wet IB 2001 jo. artikel 33b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 worden op een effectenbeurs verhandelbare effecten gewaardeerd op de slotnotering van de laatste beursdag van het voorafgaande kalenderjaar. Hieronder vallen ook opties. De waardering vindt plaats op basis van de slotnotering zoals gepubliceerd in de Officiële Prijscourant, uitgegeven door Euronext Amsterdam N.V. (hierna: optiekoerslijst).

Vindt er saldering plaats bij putopties of geschreven opties?

Bij putopties of het schrijven van een optie vindt geen saldering plaats met de (eventueel) in bezit zijnde onderliggende aandelen. Er is namelijk geen sprake van een eenheid van bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid, Wet IB 2001. Opties en aandelen zijn bestanddelen die zonder elkaar kunnen bestaan, anders dan het geval is bij de aandelen en schulden van aandelenleaseproducten. Men kan aandelen bezitten zonder optierechten of verplichtingen te hebben. Daarnaast is het mogelijk opties te schrijven terwijl degene die de onderliggende aandelen mag of moet leveren deze nog niet in bezit heeft (ongedekte opties).

Wat betekent de tegenbewijsregeling voor optierechten?

Op grond van artikel 5.25, eerste lid, Wet IB 2001 kan een belastingplichtige aannemelijk maken dat het werkelijke rendement van zijn bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001. Voor optierechten betekent dit dat ook het werkelijke rendement daarvan in aanmerking wordt genomen. In dat geval wordt voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, in afwijking van artikel 5.1 Wet IB 2001, uitgegaan van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek. Meer weten over het voordeel van sparen en beleggen? Lees hier meer.

De reguliere voordelen omvatten al het directe rendement uit het vermogen en bestaan volgens artikel 5.27 Wet IB 2001 in ieder geval uit genoten vergoedingen, zoals rente en dividend. Opties leveren geen direct rendement op. Van een regulier voordeel is dus geen sprake.

De vermogensaanwas wordt in artikel 5.28 Wet IB 2001 gedefinieerd als het verschil tussen de waarde van het saldo van bezittingen en schulden aan het einde van het kalenderjaar en het begin van het kalenderjaar, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen. Volgens artikel 5.29, eerste lid, Wet IB 2001 is het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel, of het niet langer tot de schulden behoren van een schuld, een storting. Het niet langer tot de bezittingen behoren van een vermogensbestanddeel, of het tot de schulden gaan behoren van een verplichting, is op grond van artikel 5.30, eerste lid, Wet IB 2001 een onttrekking.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.