voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Hoe is de onzekerheid over de overdrachtsbelasting bij het dooruitzakken van een onderneming weggenomen?


Wat is het probleem bij de overdrachtsbelasting?

Het gaat om een wetstechnisch probleem dat grote gevolgen kan hebben voor de heffing van overdrachtsbelasting.
Als een onderneming wordt ingebracht in een besloten vennootschap, zijn daar in de sfeer van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting fiscale vrijstellingen van toepassing.
Ook voor het onroerend goed dat wordt ingebracht geldt een fiscale vrijstelling. Deze vrijstelling is echter niet van toepassing als men de onderneming los van het onroerend goed gaat splitsen via doorinbreng in een op hetzelfde moment opgerichte besloten vennootschap.
In een Besluit van 17 oktober 2024 was opgenomen dat de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting alleen van toepassing kon zijn als de vennootschap die de onderneming had verkregen, de onderneming ging voortzetten.
In de praktijk was het gebruikelijk om de onderneming te laten uitzakken naar een andere vennootschap, waarbij het onroerend goed achterbleef.

Nieuw Besluit van 28 mei 2026

Het Ministerie van Financiën heeft recent bij Besluit van 28 mei 2026 (Stcrt. 2026, 19673) onzekerheden in de overdrachtsbelasting weggenomen die waren ontstaan bij het actualiseren van het Besluit. Het betreft gevallen waarin bij geruisloze inbreng van een onderneming met vastgoed in een B.V.-structuur de onderneming direct wordt ‘dooruitgezakt’ naar een kleindochter- of achterkleindochtervennootschap.

Wat waren de problemen in praktijk?

  1. Het Besluit Ondernemingsfaciliteiten bevat in onderdeel 3.9 een goedkeuring voor de situatie dat bijvoorbeeld een holding de onderneming, die geruisloos is ingebracht, direct vervreemdt aan een dochtervennootschap onder achterlating van de onroerende zaken. Die goedkeuring kent twee eisen:
    a. De vennootschap die de onderneming bij de omzetting heeft verkregen (lees: de holding) blijft gedurende de resterende periode van ten minste drie jaren na de omzetting in het bezit van de aandelen in de vennootschap die de onderneming als gevolg van de vervreemding verkrijgt (lees: de dochtervennootschap). Dit betreft zowel alle aandelen die de eerstgenoemde vennootschap op het moment van vervreemding van de onderneming in die vennootschap houdt, als alle aandelen die ter zake van de vervreemding zijn verkregen.
    b. De vennootschap die de onderneming als gevolg van de vervreemding heeft verkregen (lees: de dochtervennootschap), zet deze voort gedurende dezelfde resterende periode als bedoeld in voorwaarde a. Als de dochtervennootschap de onderneming echter laat dooruitzakken naar een kleindochtervennootschap (een drietrapsraket), voldoet dit formeel niet aan de eisen van de goedkeuring, waardoor de inbrengvrijstelling overdrachtsbelasting in gevaar komt.
  2. Het Besluit Ondernemingsfaciliteiten bevat in onderdeel 4.1 een goedkeuring voor de situatie dat bijvoorbeeld een vastgoed-bv de onderneming vervreemdt aan een kleindochtervennootschap onder achterlating van de onroerende zaken. Ook die goedkeuring kent twee eisen:
    a. De vennootschap die de onderneming bij de fusie (lees: de vastgoed-bv) heeft verkregen, blijft gedurende de resterende periode van ten minste drie jaren na de fusie in het bezit van de aandelen in de vennootschap die de onderneming als gevolg van de vervreemding verkrijgt (lees: de kleindochter). Dit betreft zowel alle aandelen die de eerstgenoemde vennootschap op het moment van vervreemding van de onderneming in die vennootschap houdt, als alle aandelen die ter zake van de vervreemding zijn verkregen.
    b. De vennootschap die de onderneming als gevolg van de vervreemding heeft verkregen (lees: de kleindochter), zet deze voort gedurende dezelfde resterende periode als bedoeld in voorwaarde a. Als de kleindochtervennootschap de onderneming echter laat dooruitzakken naar een achterkleindochtervennootschap (viertrapsraket), voldoet dit formeel niet aan de eisen van de goedkeuring, waardoor de fusievrijstelling overdrachtsbelasting in gevaar komt.

Aanpassingen in het recente Besluit van 28 mei 2026

Het Ministerie heeft onderkend dat het niet de bedoeling was dat in dergelijke gevallen de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting zou komen te vervallen, en heeft nu via het wijzigingsbesluit deze onzekerheid weggenomen door de door het Register Belastingadviseurs (RB) voorgestelde aanvullingen over te nemen. De voortzettingseis is nu zowel in onderdeel 3.9 als in onderdeel 4.1 verruimd, zodat de onderneming gedurende de resterende voortzettingsperiode niet alleen mag worden voortgezet door de verkrijgende vennootschap, maar ook door een andere vennootschap die gedurende die periode behoort tot hetzelfde concern als bedoeld in artikel 5b, tweede en negende lid, van het Uitvoeringsbesluit Belastingen van Rechtsverkeer (UBBR).

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.