voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Geldt de bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting ook bij een verkrijging via een bv-structuur?

De familievrijstelling in de overdrachtsbelasting is bedoeld om bedrijfsopvolging binnen de familie te vergemakkelijken. Maar wat als de overdracht niet rechtstreeks tussen ouder en kind plaatsvindt, maar via bv’s loopt? Een recente uitspraak van de Hoge Raad geeft hier duidelijkheid over.

Hoe werkt de vrijstelling bij bedrijfsopvolging?
De vrijstelling staat in artikel 15-1-b Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR).
De vrijstelling is bedoeld om te voorkomen dat onroerend goed dat dienstbaar is aan de onderneming wordt belast met overdrachtsbelasting als de onderneming binnen de familiekring wordt overgedragen.
Het moet gaan om kinderen, kleinkinderen, broers, zusters of hun echtgenoten.
Het betreft goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming van degene die overdraagt.
De onderneming moet qua bedrijfsvoering in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijgers worden voortgezet.
De vrijstelling van artikel 15-1-b WBR wordt ook wel de familievrijstelling genoemd.

Hoe werkt dat als de onderneming in een bv wordt gedreven?
Een voorbeeld is het volgende:

Een bv verwerft alle aandelen in een andere bv die hotelpanden bezit en daarmee kwalificeert als een onroerendzaaklichaam. De structuur is opgezet door een vader en zijn twee zonen. De vader hield eerder middellijk alle aandelen in de hotel-bv. De zonen houden via hun eigen bv’s ieder 45% van de certificaten in de verkrijgende bv. Op dezelfde dag verschuiven certificaten en aandelen, waardoor de vader zijn belang beëindigt en de zonen ieder indirect 50% verkrijgen. De bv claimt de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor bedrijfsopvolging tussen ouder en kinderen, maar de inspecteur legt een naheffingsaanslag op. In geschil is of de vrijstelling genoemd in 15-1-b van toepassing is.
De inspecteur is de mening toegedaan dat er geen vrijstelling van toepassing is.

Wat vindt de Hoge Raad hiervan?
De Hoge Raad stelt dat de vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b Wet BRV alleen geldt bij overdrachten tussen natuurlijke personen, zoals een ondernemer en diens kinderen. De wetgever heeft deze regeling bedoeld om bedrijfsopvolging binnen families tijdens leven te faciliteren. In deze zaak is echter sprake van een verkrijging door een bv en niet door de zonen zelf. Ook de vervreemding vindt plaats via een bv van de vader. Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling.

Zijn dan de doorkijkarresten niet van toepassing?
Volgens de Hoge Raad zien de doorkijkarresten uitsluitend op het object van de verkrijging en niet op de hoedanigheid van de betrokken partijen. Deze arresten voorkomen dat een vrijstelling verloren gaat doordat vastgoed indirect via aandelen wordt verkregen. Zij rechtvaardigen echter niet dat rechtspersonen fiscaal worden genegeerd bij de beoordeling wie verkrijger of vervreemder is. Omdat ook bij een rechtstreekse verkrijging van de panden door de bv geen vrijstelling zou gelden, kan de vrijstelling hier evenmin worden toegepast.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.