voor vermogende particulieren, bedrijven & DGA’s en ondernemers

Aan wie wordt de beschikkingsmacht van landbouwgrond toegerekend volgens het CBB?

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft geoordeeld dat de beschikkingsmacht over landbouwgrond in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) niet automatisch toekomt aan wie de feitelijke teeltwerkzaamheden uitvoert. In een zaak waarin een aardappelteler/loonwerker vrijwel alle werkzaamheden verrichtte op percelen van veehouders, oordeelde het CBB dat de beschikkingsmacht toch bij de veehouders bleef, omdat zij eigenaar waren, zelf de belangrijke teeltbeslissingen namen, economisch risico droegen en de teelt onderdeel was van hun eigen bedrijfsvoering. Deze uitspraak is ook relevant buiten het GLB, onder meer voor de bedrijfsopvolgingsregeling en de landbouwvrijstelling.

Wat heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven geoordeeld?

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft onlangs een uitspraak gedaan over de vraag aan wie de beschikkingsmacht van een perceel landbouwgrond in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moet worden toegerekend. Het geschil betrof de beschikkingsmacht over cultuurgrond in de volgende situatie: een aardappelteler/loonwerker verrichtte op diverse percelen van veehouders vrijwel alle werkzaamheden rondom de aardappelteelt. Volgens de minister had de aardappelteler/loonwerker daardoor de feitelijke beschikkingsmacht over de gronden, en hadden de veehouders de percelen ten onrechte opgegeven in hun GLB-aanvragen. Het CBB oordeelt anders dan de minister. Het College benadrukt dat niet alleen moet worden gekeken naar wie de werkzaamheden uitvoert, maar vooral wie de grond met voldoende zelfstandigheid beheert en voor wiens rekening en risico de landbouwactiviteit plaatsvindt.

Hoe was de casus hier?

Als uitgangspunt geldt dat de betreffende veehouders:

  1. eigenaar waren van de gronden;
  2. zelf betrokken bleven bij belangrijke teeltbeslissingen;
  3. een economisch belang hadden bij de opbrengst (afrekening tegen vaste prijs per kg product); en
  4. de aardappelteelt onderdeel vormde van hun bredere bedrijfsvoering.

De teelt diende bovendien ter verbetering van de bodemstructuur ten behoeve van de daaropvolgende grasproductie voor het vee. Onder die omstandigheden bleven de percelen voor de GLB-subsidie behoren tot het landbouwbedrijf van de veehouders.

Welke afspraken bleken uit de overeenkomsten tussen partijen?

In de onderhavige beroepszaken werd door belanghebbenden het volgende verklaard:

  1. op welk perceel of welke percelen de overeenkomst betrekking had;
  2. de eigenaar hield de beschikkingsmacht over het betreffende perceel;
  3. volgens het teeltplan van de eigenaar bood het betreffende perceel de mogelijkheid om aardappels te telen;
  4. de teelt vond plaats voor rekening en risico van de eigenaar;
  5. de eigenaar gaf opdracht aan de aardappelteler/loonwerker om de teeltwerkzaamheden uit te voeren;
  6. de loonwerker/aardappelteler zou de teelt in opdracht goed en kundig uitvoeren;
  7. de eigenaar van de grond zou de grond bij de gecombineerde opgave opgeven;
  8. na de oogst heeft de loonwerker/aardappelteler de gemaakte teeltkosten gefactureerd;
  9. de kg-opbrengst van de aardappels werd aan de loonwerker verkocht tegen de overeengekomen prijs van € 60,- per ton;
  10. de afrekening vond plaats door verrekening van de gemaakte kosten met de opbrengst van de geoogste aardappels.

Wat is de relevantie van deze uitspraak voor de fiscale agropraktijk?

Deze uitspraak reikt verder dan alleen de aanspraak op de subsidie uit het GLB. In de agrarische praktijk bestaat regelmatig onduidelijkheid over de vraag aan wie grond moet worden toegerekend bij teeltovereenkomsten, vruchtwisseling en samenwerkingsverbanden tussen akkerbouwers en veehouders. De uitspraak kan — mits de omstandigheden vergelijkbaar zijn — worden gebruikt als argument ter onderbouwing van het standpunt rondom het grondgebruik.

Wat betekent dit voor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)?

Voor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kan deze uitspraak steun bieden aan het standpunt dat grond tot de onderneming van de veehouder blijft behoren, ook wanneer een derde feitelijk een belangrijk deel van de teeltwerkzaamheden uitvoert. Voor de kwalificatie in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling is het gebruik binnen de eigen onderneming essentieel.

Wat betekent dit voor de landbouwvrijstelling?

Let hierbij wel op: bij de toepassing van de landbouwvrijstelling gaat het niet alleen om de vraag wie de beschikkingsmacht van de grond heeft, maar wie de grond feitelijk ten behoeve van zijn eigen landbouwonderneming gebruikt – of beter gesteld, voor wiens rekening en risico het gewas wordt geteeld. Houdt de eigenaar feitelijk de beschikkingsmacht over de landbouwgrond en wordt deze ingezet binnen zijn eigen agrarische bedrijfsvoering, dan versterkt dit het argument dat de waardeverandering van die grond binnen de sfeer van de landbouwvrijstelling kan blijven vallen.

Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.