Ja. Voor Vpb‑aanslagen is het minimumpercentage van 8% belastingrente in het Besluit belasting‑ en invorderingsrente (Bbi) in strijd met het evenredigheids‑ en gelijkheidsbeginsel en daarom onverbindend verklaard door de Hoge Raad (16 januari 2026). In de praktijk moet de belastingrente voor de Vpb daardoor worden verlaagd naar het lagere algemene belastingrentepercentage (zoals bij de inkomstenbelasting, in de jaren in kwestie 4%).
Dit artikel ziet op de wet‑ en regelgeving en jurisprudentie zoals die geldt per januari 2026.
Wat is de kern van het oordeel van de Hoge Raad?
De Hoge Raad oordeelt dat de verhoging van de Vpb‑belastingrente naar een minimum van 8% in het Bbi onverbindend is.
De bepaling moet buiten toepassing blijven omdat zij in strijd is met:
- het evenredigheidsbeginsel (onevenredig zware last voor Vpb‑plichtigen)
- het gelijkheidsbeginsel (ongelijke behandeling zonder redelijke rechtvaardiging)
Daarom geldt voor de vennootschapsbelasting hetzelfde – lagere – belastingrentepercentage als voor andere belastingen, in de casus neerkomend op 4%.
Wat speelde er in de Vpb‑zaak?
In de voorliggende zaak werd aan een bv belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023.
De inspecteur berekende deze rente tegen 8%, het toenmalige (minimum)percentage voor de Vpb op grond van het Bbi.
De bv maakte bezwaar en voerde aan dat dit hoge rentepercentage in strijd is met algemene rechtsbeginselen, met name het evenredigheids‑ en het gelijkheidsbeginsel.
In geschil was of de regeling in het Bbi, die voor de vennootschapsbelasting een hoger belastingrentepercentage dan voor andere belastingen voorschrijft, rechtmatig is.
De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en verklaart de betreffende bepaling onverbindend.
Hoe keek de Hoge Raad aan tegen het verschil met andere belastingen?
Het Bbi koppelde vanaf 2022 de Vpb‑rente aan de (hogere) wettelijke handelsrente, met een minimum van 8%, terwijl voor andere belastingen werd aangesloten bij de lagere wettelijke rente voor niet‑handelstransacties (met minimum 4%).
Volgens de Hoge Raad ontbreekt een redelijke rechtvaardiging voor dit onderscheid:
- Een (nog niet geformaliseerde) belastingschuld is geen handelsvordering, zodat aansluiting bij de handelsrente niet passend is.
- Het argument dat belastingplichtigen de rente kunnen voorkomen door tijdig aangifte te doen of een (nadere) voorlopige aanslag te vragen, is onvoldoende; ook een vermijdbare lastenverzwaring mag niet onevenredig zijn.
- Budgettaire motieven zijn op zichzelf geen voldoende rechtvaardiging voor een zwaardere rentelast voor Vpb‑plichtigen.
Daarom acht de Hoge Raad het hogere Vpb‑rentepercentage in strijd met het evenredigheids‑ en het gelijkheidsbeginsel.
Wat zijn de gevolgen voor de praktijk?
Voor de praktijk zijn onder meer de volgende punten van belang:
- De hogere Vpb‑belastingrente (8%, later 9% en 10%) mag niet worden toegepast; het percentage moet worden teruggebracht naar het lagere algemene belastingrentepercentage (zoals gebruikt bij inkomstenbelasting).
- De staatssecretaris heeft bezwaren tegen belastingrente Vpb vanaf 1 oktober 2020 aangewezen als massaal bezwaar, zodat één oordeel geldt voor alle gelijksoortige zaken.
- Alleen wie tijdig bezwaar heeft gemaakt, valt onder de massaal‑bezwaarprocedure; zonder tijdig bezwaar geldt het arrest niet automatisch voor oude, onherroepelijke beschikkingen.
- Voor voorlopige aanslagen Vpb loopt correctie van de belastingrente in beginsel via een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag, dan wel via bezwaar tegen de aanslag waarin de rente is begrepen.
- De Belastingdienst heeft de aangewezen bezwaren aangehouden en zal, mede naar aanleiding van het arrest, uitspraken (en eventuele teruggaaf van rente) moeten doen.
Noot: Het antwoord is gebaseerd op de bij ons bekende wetgeving en jurisprudentie per de hierboven aangegeven datum.